Literatuur als talig organisme

10 februari, 2009

THEO HAKKERT
 

 

Erwin Mortier schrijft en dicht aan ‘een profane, niet van ironie gespeende bijbel van België’. Al tien jaar. Tijd voor een bescheiden jubileum. “Ik schrijf in enorme gulpen.” door Theo Hakkert

 

SAMENVATTING 

Erwin Mortier schrijft en dicht aan ‘een profane, niet van ironie gespeende bijbel van België’. Al tien jaar. Tijd voor een bescheiden jubileum. “Ik schrijf in enorme gulpen.” door Theo Hakkert 

VOLLEDIGE TEKST: 

Hij heeft voor broodjes gezorgd, zoals hij had beloofd in zijn e-mail. Erwin Mortier schreef daar gastvrij achter, tussen haakjes: ‘We blijven Belgen’. De ontvangst heeft plaats in een onalledaagse bibliotheek, die bij het Gentse museum Dr. Guislain op het terrein van de gelijknamige psychiatrische inrichting. Hier werkte Erwin Mortier (43) als wetenschappelijk medewerker tot hij, al vrij kort na zijn debuutroman Marcel, van de pen kon leven. 
Dat is dit voorjaar tien jaar geleden. Vandaar dat Marcel binnenkort in een jubileumeditie uitkomt. Gevraagd terug te kijken hoe hij die tien jaar heeft beleefd, zegt hij: “Als persoonlijk het grootste geluk dat mij overkomen is. Toen Marcel een boek bleek waar men niet naast kon kijken, durfde ik hardop te zeggen wat ik al langer voor mezelf vermoedde: ik ben bedoeld voor het schrijven. Dit is het gewoon.” Vorig jaar voegde Mortier de grootste roman aan zijn cv toe: Godenslaap. Een profane kathedraal van taal, om een aantal woorden van de auteur zelf te lenen. Godenslaap staat op de longlist voor de Libris-prijs. Recent verscheen daarnaast Voor de Stad en de Wereld, de gedichten tot dusver. Hij beschouwt de bundel als ‘een tussentijdse grafsteen’, al moet hij daar zelf om lachen. “Het is zeker niet dat ik een moment van stilstand heb, want in april verschijnen in Het liegende konijn van Jozef Deleu (een poëzietijdschrift, red.) alweer tien nieuwe gedichten.” Voor hem bestaat er geen grens tussen poëzie en proza. “Ik kan een hele tijd intens in het proza zitten en dan ineens voel ik dat het uitsterft, tijdelijk. Ik schrijf in enorme gulpen.” 
Erwin Mortier ís taal. Hij praat zoals hij schrijft: in vloeiende volzinnen, die doorspekt zijn met woorden die nieuw lijken maar oud zijn en andersom. Ergens is hij daarmee een zoon van Gent, de Vlaamse stad met een oude, kleine Franstalige kern. Uit die kern kwam wel de enige Belgische winnaar – in 1911 – van de Nobelprijs voor Literatuur voort: Maurice Maeterlinck (1862-1949). 
Voor de enscenering van de opera Ariane et Barbe-bleu, op muziek van Paul Dukas, schreef Mortier negen variaties op Maeterlincks Ariadne en Blauwbaard. Deze gedichten zijn opgenomen in de nieuwe bundel en verschijnen daarmee voor het eerst in druk. Uit diezelfde Franstalige kern noemt Mortier ook Franz Hellens, ‘totaal onterecht totaal vergeten’, en Émile Verhaeren. “Het zijn Vlamingen, maar ze schreven in het Frans. Zo verdwenen ze uit de canon en worden ze als verdacht gezien door de hedendaagse Vlamingen, ofschoon die taalproblematiek in die tijd niet echt speelde.” 
Conclusie: “We moeten niet postuum een ijzeren gordijn tussen deze schrijvers neerlaten. Onze literaire erfenis is per definitie hybride, maar we zijn dan ook een hybride land, waar nu toevallig de lijn tussen het Latijnse en het Germaanse doorheen loopt. Ik zou zeggen: doe daar je voordeel mee. Dat moest impliciet in Godenslaap. Ik wilde dat in mijn taalwereld hebben.” Hij situeerde de roman in de Franstalig gekleurde bourgeoisie van een stad die niet met naam wordt genoemd, maar duidelijk Gent is. Tot zijn verbazing bleek, terwijl hij al even op weg was, de verteller een vrouw te zijn. “Haar stem trekt heel vernuftig het ritme en de carthesiaanse afgemetenheid van het Frans binnen in het Nederlands. Een vrouw; achteraf bezien heeft me dat niet verwonderd. Het was eigenlijk logisch als je de psychologie van het personage ziet, want het relateert onmiddellijk aan het excessieve van de taal, aan de amorele drift van de taal om alles te willen zeggen. In de klassieke psychologie uit die tijd werd dat als een vrouwelijk aspect gezien: het amorele van het vrouwelijke dat zich door niets laat temmen.” “Voor mij is een roman een talig organisme, dat in Freudiaanse zin gezond is als er evenwicht is tussen kwaliteiten en zwakheden. Mijn voornaamste criterium is: voel ik het leven? Presenteert het zich als een organisch iets waar je niet omheen kunt? Ik moest een boek schrijven, waar men zich geen raad mee weet, omdat er geen thematische verwerkingen en plots in zitten, en waar men toch niet omheen kan.” 
Tien jaar na Marcel ligt Erwin Mortier rustig op schema. Hij ziet zijn boeken als een geheel. De parapluterm die hij hanteert is ‘De laatste roman van België’. “Een profane, niet van ironie gespeende bijbel van België.” Hij glimlacht daarbij vilein. 
“Als het allemaal klaar is, zal blijken dat het gehele boek wordt geschreven vanuit het standpunt dat België niet meer bestaat. Een Proustiaanse terugblik op een land dat niet meer bestaat en door de geschiedenis is opgelost. Ik wil natuurlijk dat België blijft bestaan, maar het zou natuurlijk geweldig zijn als het net zo voor mijn laatste boek uitkomt, uit elkaar valt of implodeert.” 
Erwin Mortier – Voor de Stad en de Wereld. De gedichten tot dusver. De Bezige Bij, 18,90 euro.

 
February 7, 2009
 
      

 
Copyright © 2009 LexisNexis, a division of Reed Elsevier Inc. All Rights Reserved. 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: